Schets Pijl omlaag
mama staat voor het raam.
ze schudt haar hoofd.
‘het spijt me.
we gaan toch niet naar het bos.’
‘maar ik heb mijn jas al aan’, klaagt Loek.
‘het stormt te hard’, legt mama uit.
‘straks waait er een boom om.
of valt een tak op ons.’
Loek draait zich om naar Mila.
‘jij wil toch ook?’
Mila zegt niks.
ze wijst naar Aap op de bank.
‘Aap houdt niet van storm.’
‘pfff’, snuift Loek.
‘Aap is geen mens.
Aap wil niks.
Aap is nep.’
‘kom Loek’, zegt mama.
‘laat Mila met rust.
ik weet wat.
pak jij de verf maar.
de gang is nog best kaal.
maak maar iets moois.
dan hang ik het op.
maar trek eerst je jas uit.’
Loek mokt.
hij gooit zijn jas op de grond.

hij staat lang voor de kast.
de muur in de gang is wit.
net een groot leeg vel.
toch maar met de verf?
Loek duwt een kwast in de verf.
de verf is bruin.
hij trekt een streep op de muur.
nu wil hij groen.
hij zet een stip bij de streep.
en nog een.
nog een.

 
stip      stip

Loek doopt de kwast weer in de verf.

stip     stip     stip

dan maakt hij nog een streep.
en hij stipt weer met groen.
Loek werkt hard.
zijn tong hangt uit zijn mond.
streep voor streep,
stip voor stip,
wordt de gang een bos.
in het bos van Loek stormt het niet.
‘mama!’ gilt Mila.
‘kijk wat Loek doet!’
Loek schrikt op.
hij kijkt naar zijn bos.

oei!

‘Mila klikt en dat mag niet’,
zegt Loek zacht.