de school is uit.
Loek wacht bij het hek.
waar blijft mama?
of kwam papa naar school?
hij weet het niet meer.
 
voor de school stopt een bus.
een vrouw stapt uit.
‘hé, oma!’ roept Loek blij.
‘oh Loek, het spijt me.
ik ben te laat.
papa en mama zijn ziek.’

oma geeft Loek een kus.  
‘kom, we gaan naar opa en Pip.
kijk, daar is de bus al!’

 
‘hoi opa!
ik had griep.
maar nu niet meer.’
opa slaat een arm om Loek.
‘dat is fijn Loek.
ga je mee naar het park?
Pip moet uit.’

Loek mag met Pip aan de lijn.
‘kijk opa!
Pip loopt heel braaf.’
bij een boom tilt hij zijn poot op.
Pip doet een plas.
dan trekt hij hard aan de riem.
heel hard.
Loek valt haast om.

 
bij een stuk gras stopt Pip.
hij zit en kijkt rond.
Loek wacht.
wat doet die hond toch?  

dan staat hij weer op.
in het gras ligt een drol.
de drol is groot en stinkt.
Loek knijpt snel zijn neus dicht.
bah!


 
opa lacht.
‘ja Loek,
een hond poept ook.’

opa geeft Loek een zak.
‘doe je hand er maar in,
dan pak je zo de drol op.’

Loek kijkt naar opa.
dan naar de drol.
en weer naar opa.
ha, ha, die opa!
daar trapt Loek niet in.
wie doet dat nou?
poep in een zak?
 
‘toe maar’, dringt opa aan.
hij wijst naar de drol van Pip.
 
nee toch?
 
ja, opa meent het!
 
Loek rent snel weg.
‘dat doe ik niet hoor!
dat mag jij doen.’
Schets Pijl omlaag