Loek en Mila zijn broer en zus.
ze gaan naar een nieuw huis.
dat huis staat in de stad.
 
Loek pakt in.
Beer gaat in de doos.
en een boek en zijn bal.  
nog veel meer kan er in.
 
ook Mila pakt in.
aap gaat in de tas.
Poes en Haas gaan in de doos.

in een kom zwemt Blub.
Mila tilt de kom in de doos.
‘Mila, wat doe je nou!’ roept papa
‘Blub moet ook mee’, zegt Mila.
‘ja, maar toch niet in een doos?’
papa pakt de kom.
‘Blub mag straks op schoot.’

nu is het huis leeg.
Loek rent door de gang.
plots staat hij stil.
hij stampt op de grond.
het huis klinkt raar.
 
Loek is boos.
hij geeft de muur een schop.
hij houdt van zijn huis.
van zijn tuin en van zijn straat.
 
de stad is druk.
waar is dan zijn school?
wie wordt daar zijn vriend?

de bus is vol.  
de klep gaat dicht.
ze zijn klaar om te gaan.

Mila pakt haar jas.
ze doet de tas op haar rug.
Mila wil graag naar de stad.
een nieuw huis lijkt haar leuk.
 
Aap is ook blij.
Mila hoort hem in de tas.
Aap zingt een lied.  
 
’kom Loek.’
papa pakt zijn hand.
‘Mila kom je?’ roept mama.
mama doet de deur op slot.

Loek kijkt nog een keer om.
’dag huis.
dag straat.’
 
’dag school en dag klas.
dag kerk met de klok.
dag plein in het dorp.
ik ga naar de stad.’
 
‘dag Loek’, loeit de koe.
‘dag Mila’, blaft de hond.

Schets Pijl omlaag